|
Charles de l'Ecluse, beter bekend als Carolus Clusius, werd geboren in 1526 te Atrecht
(nu Arras). Clusius studeerde rechten en klassieken talen te Leuven, medicijnen te
Montpellier en volgde colleges over zeer uiteenlopende onderwerpen in een groot aantal
Europese steden. In 1554 keerde hij terug naar de Nederlanden. Hij leerde er onder meer
de beroemde stadsgeneesheer van Mechelen, Rembertus Dodoens (Dodonaeus), de arts en
plantkundige Matthias de l'Obel (Lobelius) en de Antwerpse boekdrukker Christoffel
Plantijn kennen. In 1561 begon Clusius als mentor op te treden van adellijke en welgestelde jongelui. Hij reisde met zijn pupillen door Engeland, Frankrijk, Spanje en Portugaal, onderwijl planten verzamelend en bestuderend. In 1573 vertrok hij naar Wenen om voor Keizer Maximiliaan II een medicinale kruidentuin in te richten. Tijdens zijn verblijf in de Oostenrijkse hoofdstad bracht Clusius een schitterende collectie zeldzame en exotische gewassen bijeen, met name Alpenplanten en bolgewassen uit Turkije. De bolgewassen, waaronder tulpen, hyacinten, keizerskronen en narcissen, verkreeg hij ondermeer via de gezanten van de Keizer aan het Hof van de Sultan in Istanbul. Hij verliet Wenen in 1588 en vestigde zich in Frankfurt. In 1592 bood de Leidse Universiteit hem de betrekking van Praefectus Horti aan en in het najaar van 1593 arriveerde Clusius met zijn plantencollectie in Leiden, 67 jaar oud en in slechte gezondheid. |
![]() (Carolus Clusius uit J.J. Boissard, 1598) |
![]() |
Om Carolus Clusius bij te staan bij de inrichting van de nieuwe Leidse universiteitstuin
werd de Delftse apotheker Dirk Ougaertszoon Cluyt (Clutius) benoemd tot Hortulanus. Cluyt
was de auteur van het eerste Nederlandse boek over bijenteelt en een groot kenner van
medicinale planten. Zijn eigen collectie van dergelijke gewassen bracht hij mee naar
Leiden. In 1594 was de eerste aanleg gereed. Clusius en Cluyt maakten van deze situatie een plattegrond met een lijst van planten die op dat moment in de jonge Hortus groeiden. Door dit manuscript, de Index Stirpium, krijgt men een gedetailleerd beeld van de oorspronkelijke Leidse Hortus. De tuin was rechthoekig: 39,90 m lang en 30,90 m breed. De verhouding lengte : breedte was dus 4:3, één van de klassieke harmonische verhoudingen van de Italiaanse renaissance. Aan de zuidkant werd in 1600 een galerij gebouwd, het Ambulacrum, waarin een grote verzameling dierlijk, plantaardig, geologisch en volkenkundig materiaal geordend werd uitgestald. In dit gebouw gaf de professor in de botanie ook les en werden vorstgevoelige planten in de winter bewaard. De tuin zelf was door twee hoofdpaden verdeeld in vier quadrae, bestaande uit 16 of 12 areae. Binnen ieder quadra ontstonden door twee smallere paden vier groepen areae. Elke area was onderverdeeld in vele pulvilli, waarbij één plant per pulvillus de regel was. |
(Plattegrond van de Hortus in 1594) |


|
Honderdbladige roos (Rosa centifolia L.) De Honderdbladige roos behoort tot een kleine groep van tuinrozen die waarschijnlijk in de 16e eeuw in de Nederlanden is ontstaan. De eerste wetenschappelijke beschrijving werd door Clusius in zijn Rariorum Plantarum Historia (1601) gegeven als Rosa centifolia batavica. In 1589 kreeg Clusius twee rozenstruiken van zijn vriend Johan van Hogheland. Eén struik overleefde en bloeide in 1591 in Leiden met zeer gevulde, rose, sterk geurende bloemen. Van Hogheland stuurde in 1592 een andere rozenstruik naar Leiden. Deze plant heeft Clusius nooit zien bloeien en in de Rariorum wordt ze aangeduid als Rosa centifolia batavica II (altera). Volgen Van Hogheland was ze gelijk aan nummer I, maar kleiner. De Honderdbladige roos was bijzonder geliefd bij de bloemenschilders in de Lage Landen. Eén van de meest beroemde afbeeldingen is een aquarel van de schilder Jacques de Gheyn II uit 1603. Tegenwoordig vinden we de sfeervolle Honderbladig rozen gelukkig weer in de tuinen van echte rozenliefhebbers. |
|
